Elke dag verdient een kans.

Het zand zacht onder mijn voeten, een verkoelend briesje op mijn huid.
Een turkooisblauwe watervlakte die overgaat in dieper blauw.
Golven kabbelen en klotsen. Vogels fluiten en koeren.
Aan de horizon gloren eilanden. Palmbomen wiegen langzaam heen en weer.
Ik genoot  van de ochtend terwijl ik aan het schrijven was.
Als je dag zo begint, mijmerde ik, is het heel eenvoudig om hem een kans te geven.Ik leunde achterover in mijn strand stoel, legde mijn handen achter mijn hoofd en deed mijn ogen dicht.

Dat was het moment waarop een vogel mijn borst als schietschijf uitkoos.
Geen waarschuwing. Geen alarm. Geen Bommen los. Gewoon plop.
Ik opende mijn ogen en zag nog net hoe een zeemeeuw en zijn maten elkaar op een tak op de schouders sloegen. Bah.
Ik gooide drie plenzen water over mijn overhemd.
Ik ging in een stoel verder bij de bomen vandaan zitten.

Ik deed alles wat ik kon om de betovering van de ochtend terug te krijgen, maar ik
kon de scheervlucht van de vogel niet uit mij gedachten zetten.
Dat had gemakkelijk moeten zijn. De golven rolden steeds.
 De  oceaan was niet minder blauw; het zand niet minder wit.
Eilanden lonkten nog en de wind ruiste.
Maar ik bleef aan de granaat van de zeemeeuw denken. Stom beest.
Vogels hebben de onhebbelijke gewoonte om dingen in de war te sturen, vind je niet?

Je kunt er van op aan: elke dag is er wel een vogel die iets zal laten vallen.
Het verkeer zal vast lopen
Luchthavens zullen sluiten .
Vrienden zullen vergeten.
Echtgenoten zullen klagen.
En dan al dat wachten. Al dat gewacht.
Wachten bij de kassa, gekmakende wachtmuziekjes,
pizzabezorgers die te lang op zich laten wachten, wachten op de hond, 
zenuwslopende wachtkamers, vergeten, wachtwoorden, 
overdadige wachtgeldregelingen, overijverige parkeerwachters.